• Martine

Afscheid



Ik kijk opzij en geef hem een bemoedigend kneepje in zijn hand. ‘Je hebt de juiste keuze gemaakt,’ fluister ik.

Hij glimlacht flauwtjes.

Ik verplaats mijn hand weer naar het stuur en concentreer me op de weg. Zo rijden we een uur lang, beide in mijmeringen verzonken.

Af en toe kijk ik met een schuin oog naar hem. Hij plukt zenuwachtig aan zijn trui en zo nu en dan slaakt hij een diepe zucht. Voor mijn ogen wordt hij plotseling tientallen jaren jonger. Als een klein jongetje dat op het punt staat het diepe in te springen, voor het eerst zonder bandjes. Bibberend aan de kant, bang voor wat er komen gaat. Ik verstevig mijn greep aan het stuur.


Aan mijn linkerkant flitsen er auto’s voorbij. Met stuk voor stuk verschillende mensen. Een man en een vrouw met kinderen achterin, twee mannen vol tatoeages en piercings, eenzame bestuurders, jong, oud, sommige gepassioneerd meezingend met de radio, sommigen met hun blik in volle concentratie op de weg gericht. Ze hebben allemaal twee dingen gemeen. Ieder heeft zijn eigen bestemming en ieder heeft zijn eigen verhaal. Als klein meisje heeft me dat al enorm gefascineerd. Waar gaan ze heen? Wat speelt er in hun leven? Waar denken ze op dat moment aan? Gaan ze naar huis, waar een liefdevol gezin op hen wacht? Zijn ze op weg naar een rockconcert? Nu vraag ik mij alleen maar af hoe de voorbij flitsende mensen naar mij zouden kijken. Wat zouden zij zien? Zien ze mij überhaupt wel? Zouden ze weten waar ik op dat moment naar onderweg was? Zouden ze raden dat ik over enkele uren precies dezelfde weg zou afleggen, maar dan in tegenovergestelde richting en met een lege passagiersstoel?

‘Ik heb een sigaret nodig,’ hoor ik mompelend naast me. Ik knik zwijgend en bij het eerstvolgende tankstation draai ik de weg af.

Dit zal één van je laatste sigaretten zijn, denk ik als ik hem zie staan, onrustig het gewicht van zijn ene been op de andere verplaatsend. Hij neemt diepe hijsen en ademt zo lang mogelijk in, dan houdt hij de rook even vast en uiteindelijk blaast hij de rook weer langzaam uit. Af en toe knijpt hij zijn ogen dicht, om er extra van te genieten lijkt het wel. Zo worden zijn kraaienpootjes nog zichtbaarder. Ik bestudeer zijn gezicht eens goed. Ingevallen wangen, zijn ogen diep in de kassen, dikke wallen tekenen zijn grauwe gezicht. In zijn ogen lees ik niet veel, enkel een trieste leegte. Een gevoel van verdriet overspoelt me plotseling en er welt een traan op. Hoe had het toch zover kunnen komen? Ik knipper snel met mijn ogen en wend mijn gezicht af. Hier zou hij toch niets mee kunnen.

‘Laten we maar weer gaan.’ Terwijl hij zijn peuk wegschiet sluit ik even mijn ogen en adem diep in en uit. Ik start de auto en druk het gaspedaal in, nadat hij naast me plaats heeft genomen op de passagiersstoel en het portier heeft dichtgeslagen.

We vervolgen onze weg, net als voorheen, in stilzwijgen. De kilometers kruipen voorbij en ik moet me inhouden om niet harder op het gaspedaal te trappen. Hoe sneller dit achter de rug is, hoe beter.

‘Hoe voel je je?’ vraag ik om de tijd wat te doden. Hij haalt zijn schouders op en mompelt: ‘Weet ik niet. Een beetje dubbel.’ Ik wacht tot hij meer zou zeggen, maar daar blijft het bij.

De kiestoon gaat over. Twee keer, dan wordt er opgenomen. De stem klinkt timide, maar vriendelijk. Het is een mannenstem, ik vermoed dat het een jonge man is. De stem vertelt ons dat hij de deur open zal doen en we moeten wachten in de hal. De man is nog niet uitgesproken of we horen al een klik en de deur schuift automatisch voor ons open.

Eenmaal binnen kijken we wat ongemakkelijk om ons heen. Het is een kleine hal met wat eens witte muren hadden moeten zijn. In de ruimte staat enkel een zwarte leren bank en een plant die tevergeefs zijn best doet om de ruimte wat minder triest te maken. Op de muur staat met grote letters ‘De Hoop’ geschilderd. Hoop, is er nog hoop? denk ik neerslachtig. Gelukkig horen we al snel voetstappen en komt er een jongeman de hoek om gelopen. Met uitgestrekte hand loopt hij op ons af, schudt onze handen en stelt zichzelf voor als Maarten. Aan zijn stem te horen is dit de man die ons zojuist heeft binnengelaten. En ik heb gelijk, het is een vrij jonge man, van begin dertig schat ik zo.

‘Goed dat je er bent,’ zegt Maarten, kort bruin haar omlijst een bedachtzaam gezicht. Hij gebaart ons hem te volgen. We lopen achter hem aan de gang door en een aantal trappen op.

Onderwijl kijk ik om me heen. Van wat ik zie, bevindt er zich op elke verdieping een keuken, een washok en een woonkamer. Er zijn nog veel meer deuren, maar die zijn grotendeels gesloten of deels aan mijn zicht onttrokken. Ik vermoed dat dat de slaapkamers zijn. We komen aan op de tweede verdieping en ik word verzocht om te wachten in de woonkamer, zodat zij het intake gesprek kunnen houden, maar eerst wordt mijn tas grondig gecontroleerd. ‘Een vaste procedure,’ zegt Maarten schouderophalend, wanneer ik hem verbaasd aankijk. Alsof ik iets mee zou nemen…

Het wachten duurt lang. Ik heb plaatsgenomen in het hoekje van de bank en blader wat tijdschriften door. Begeleiders en bewoners die langslopen groeten me en enkele geven me een hand. ‘Familie van?’ waarop ik bevestigend knik en vervolgens ernstige en meelevende blikken toegeworpen krijg. Het geeft me een naar gevoel, alsof ik op een begrafenis ben. Er loopt een jongen langs en ik concludeer meteen dat dit ook een bewoner is. Ik schat hem rond de 20. Hij draagt een grijze trainingsbroek en een blauw, wijd shirt. Witte sokken steken in van die badslippers (die ik echt afschuwelijk vind) en het haar staat alle kanten op. Duffe en rood omrande ogen geven me plotseling een knipoog waar ik een beetje van schrik. Ik probeer maar nietszeggend te glimlachen, bang dat ik iets verkeerds doe. Gelukkig loopt de jongen door en opgelucht pak ik het tijdschrift weer op. Mijn ogen glijden over de woorden en plaatjes, maar ik zie niets meer. De spanning wordt me te veel. Mijn ogen zijn troebel geworden en met een zachte ‘plop’ valt er een traan op het papier.

Flarden van gedachten dringen mijn hoofd binnen. Die keer dat hij pas om 06.00 in de ochtend thuis kwam, terwijl niemand wist waar hij uithing. Die keren dat hij ziek was en zich soms drie dagen lang niet liet zien. Die keren dat hij om geld vroeg, want hij had niets meer om eten te kopen. Die keer dat de televisie en laptop verdwenen, onder het mom van ‘kapot’. Woede en hulpeloosheid vullen mijn lijf. Hoe heeft hij dit toch kunnen doen? Hoe heeft hij ons zo kunnen misleiden en gebruiken? Zonder dat ik het door heb, heb ik mijn vuisten gebald. Toch voel ik ook medelijden. Ik hoop dat hij de kracht vindt om hier doorheen te komen.

Ik vis mijn telefoon en oordopjes uit mijn zak en open Spotify. Ik sluit mijn ogen, laat mijn hoofd achterover tegen de muur zakken en sluit me af van de wereld.


‘Hé Tinus…’ ik draai me om en zie hem daar staan met uitgestrekte armen en een scheve glimlach om zijn lippen. Mijn hart licht op, zo noemde hij me vroeger altijd. Voordat ik het weet werp ik me in zijn armen en houdt hij me stevig vast. De tranen druppelen langzaam een voor een over mijn wangen, maar algauw stroomt het als een waterval naar beneden. Een moment voel ik me weer veilig, geborgen en geliefd. Het duurt misschien maar enkele seconden, maar ik voel me weer het kind, iets wat ik al jaren niet gevoeld heb. Even vallen alle zorgen en verantwoordelijkheden van me af. Zo hoort het te zijn! We houden elkaar een tijdje vast, totdat de realiteit weer bij ons beide binnendringt. We laten elkaar los en ik zeg: ‘Dag pap, tot over een paar maanden,’ waarop ik me omdraai en de deur met een klik achter me dicht trek.


Coverfoto: Julie Ann Photography

Recente blogposts

Alles weergeven

Huilende wolven - ruwe versie

Woord vooraf - Belangrijk om te weten: wat je gaat lezen betreft een ruwe versie van het verhaal. De eerste versie, geschreven met pen, bevatte flarden en gedachten en losse zinnen en deze versie is d

Vergevende dromen

Ik loop door de straten in de buurt waarvan ik weet dat jij daar woont. Niet dat ik er ooit geweest ben, maar ik weet het. De regen druppelt zacht vanuit de hemel op de grond als een verendeken. Ik me

© 2018 by Martine Veenstra-Modderman

-

-