• Martine

Vergevende dromen

Ik loop door de straten in de buurt waarvan ik weet dat jij daar woont. Niet dat ik er ooit geweest ben, maar ik weet het. De regen druppelt zacht vanuit de hemel op de grond als een verendeken. Ik merk het amper.

Er gaan geruchten de ronde dat je naar Duitsland bent verhuisd. Hoe ik hier op dit moment in Duitland ben belandt weet ik eigenlijk niet.

Misschien is dit maar een droom.

Ik loop verder de natte straat in. Ik zie geen mensen. Alleen een kat dat vlug de straat oversteekt en beschutting zoekt onder een donkerblauwe Volvo. De kattenogen glimmen als ze mijn richting opflitsen en me nauwkeurig in de gaten houden. De rijtjeshuizen links en rechts lijken mijlenver boven me uit te torenen. De grijze lucht met donkere wolken werpen duistere schaduwen over de huizen en ze buigen zich dreigend over me heen.

Plotseling gaat er een lichte huivering door me heen. Het voelt alsof ik achtervolgt word, er ogen in mijn rug prikken. Als ik achterom kijk zie ik niemand. Ik blijf stokstijf staan, zeker wetend dat hier iemand is. En dan doemt er een gedaante uit de schaduwen op. Ik weet meteen dat jij het bent. Ik voel aan alles jouw aanwezigheid. Mijn hart gaat sneller kloppen. Mijn zintuigen staan op haarscherp.

Dan sta je voor me. In plaats van de donkere, haast duivelse, blik in je ogen die ik voor het laatst gezien heb en als een tatoeage op mijn netvlies staat gekerfd, heb je een heldere, open blik. Je armen hangen ontspannen naast je lichaam. Een zachte glimlach siert je gezicht. Het verwart me.

Ik denk aan de foto die ik laatst van je zag. Ik was ervan geschrokken. Bijna herkende ik je niet meer. Je lippen waren in een dunne streep getrokken, een mislukte poging tot een glimlach – je klaagde vroeger constant over je dunnen lippen weet ik nog. Je haren waren grijs geworden en je eens zo prachtige koperkleurige krullen hingen dof om je gezicht. Je grijsgroene ogen, eens vol levenslust, waren omringd met vele lijntjes en keken nietszeggend in de camera. Toen besefte ik dat het meer dan tien jaar geleden is dat ik je heb gezien. En dat is tenslotte wat tijd met de mens doet. Je wordt ouder, je verandert.

Een verschil van dag en nacht nu je hier voor me staat. Dit is de vrouw die ik me herinner van toen ik jonger was. Jij moet een jaar of zesendertig zijn.

We praten niet. Hoewel er niet hardop gesproken wordt, worden er talloze woorden gezegd. Als herinneringen die opdoemen uit de schaduwen. Als onheilspellende fluisteringen in de wind.

We staan nu heel dicht bij elkaar. Ik kan me niet herinneren dat ik me bewogen heb. Toch kan ik je bijna aanraken en dringt er een bekende geur mijn neusgaten binnen. De zoete geur van de parfum die je altijd droeg vermengd met je lichaamsgeur die jou zo typeert.

Waar jij zo ontspannen en tevreden lijkt, sta ik vertwijfelt en licht gespannen als een veertje tegenover je.

De herinneringen van pijn en afwijzing flitsen aan me voorbij. Ze worden als dia’s in mijn hoofd afgespeeld. Als vanzelf kruis ik mijn armen voor mijn borst om mijn hart te beschermen tegen jou.

Dan kijk je me met een doordringende blik aan. Alsof je me iets vertellen wil. Alsof ik iets moet begrijpen. Er verschijnen tranen in je ogen en ze druppelen een voor een over je wangen. Je beweegt je armen naar voren alsof je me in je armen wil sluiten.

‘Het spijt me.’ Ik hoor de woorden klinken, maar zie ze niet van je lippen glijden. Toch weet ik dat ze van jou komen en ik begrijp wat je bedoelt.

'Het is oké,' wil ik zeggen, maar er komt geen geluid uit mijn mond.

Voorzichtig en heel langzaam laat ik mijn armen naar beneden zakken. Mijn hartslag daalt. Ik voel mijn lichaam ontspannen en zet een klein stapje in jouw richting.

Je blik laat me niet los.

De pijn glijdt van mijn schouders en ik voel me lichter worden. Alsof ik al die jaren een loodzware tas op mijn rug had hangen en ik die nu af kan doen.

Tranen stromen inmiddels over mijn wangen.

‘Mama,’ fluister ik met een zucht van jarenlange verlangen. Ik wil nu niets liever dan me in je uitgestrekte armen werpen.

Dan verdwijnt plotseling de grond onder mijn voeten en maak ik een vrije val.

Met een ruk schiet ik half overeind. Met een bonkend hart sla ik mijn ogen open. Ik zie een wit plafond. Jij bent verdwenen. De regen is opgehouden, maar toch zijn mijn wangen nat. Ik zie het gaatje waar ooit eens een klamboe aan een haakje heeft gehangen en die nooit is weggewerkt. Ik zie de spijlen van het hemelbed. Dan dringt de harde realiteit tot me door.

Recente blogposts

Alles weergeven

Huilende wolven - ruwe versie

Woord vooraf - Belangrijk om te weten: wat je gaat lezen betreft een ruwe versie van het verhaal. De eerste versie, geschreven met pen, bevatte flarden en gedachten en losse zinnen en deze versie is d

Verandering

Het was zomaar een maandagavond. De zon scheen haar warmste stralen en zou binnen een uur achter de horizon verdwijnen. De meter had de 32º aangetikt die dag. Het was die avond tot ieders opluchting i

© 2018 by Martine Veenstra-Modderman

-

-